zaterdag 24 januari, 2026
Podium voor de Journalistiek

Gesloten jeugdzorg als eindpunt van een falend systeem: ‘Hulp werd over jongeren georganiseerd, niet met hen’

Beeld: Bonerok van Getty Images
BinnenlandJongeren

De gesloten jeugdzorg wordt afgebouwd. Terecht, volgens psychiater Peter Dijkhoorn: "Deze instellingen zijn plekken waar de zorg kinderen kan onderbrengen als ze het echt niet meer weet.” Hij ziet een gebrek aan kennis bij professionals, en te weinig aandacht voor het perspectief van jongeren zelf.

Door: Meike Halbesma
Leestijd: 7 min

Nederland bouwt de gesloten jeugdzorg af. In het publieke debat gaat het vooral over veiligheid, risico’s en de vraag waar jongeren met ernstige problemen nog terechtkunnen. Opvallend weinig aandacht is er voor de stem van jongeren zelf, terwijl juist hun ervaringen essentieel zijn om te begrijpen waarom gesloten jeugdzorg zo vaak schade heeft aangericht.

Psychiater Peter Dijkhoorn stelt dat gesloten jeugdzorg zelden een oplossing was, maar het eindpunt van een systeem waarin jongeren en ouders structureel onvoldoende én onvoldoende deskundig werden gehoord. Zijn analyse is gebaseerd op tientallen jaren ervaring in de jeugdpsychiatrie, de jeugdgevangenis, onderzoek en beleidsverandering. Volgens hem kan het debat over gesloten jeugdzorg niet eerlijk worden gevoerd zonder die betrokkenheid centraal te stellen, en zonder actuele kennis daadwerkelijk te benutten.

‘Gesloten jeugdzorg was zelden een oplossing, maar het eindpunt van een systeem waarin jongeren en ouders structureel onvoldoende werden gehoord.’

Falende samenwerking

Dijkhoorn werkte in een jeugdgevangenis, een andere vorm van gesloten zorg. Vanuit zijn werk in de psychiatrie probeerde hij plaatsingen in gesloten jeugdzorg juist te voorkomen. Niet omdat jongeren geen ernstige problemen hadden, maar omdat gesloten instellingen volgens hem onvoldoende waren toegerust om kinderen goed te helpen.

“Werkend in de psychiatrie heb ik altijd nagestreefd dat we jongeren vanuit onze organisatie niet naar gesloten jeugdzorg zouden verplaatsen, omdat daar bij de inrichting niet bedacht is wat voor kennis en vaardigheden er allemaal nodig zijn om kinderen goed te helpen.”

Veel jongeren die uiteindelijk in geslotenheid belandden, hadden al jaren hulp ontvangen. Die hulp werd meestal over hen georganiseerd, niet met hen. Hun perspectief, ervaringen en signalen kregen weinig gewicht. Het gevolg was dat interventies niet aansloten, problemen verergerden en gedrag escaleerde.

Volgens Dijkhoorn ontstond het gedrag waarvoor gesloten zorg noodzakelijk werd geacht dan ook vaak binnen eerdere zorgtrajecten zelf. Niet omdat jongeren niet wilden meewerken, maar omdat zij zich niet begrepen voelden. Geslotenheid werd zo het sluitstuk van een proces waarin samenwerking ontbrak.

Hulp werd meestal over jongeren georganiseerd, niet met hen. Het gevolg was dat interventies niet aansloten, problemen verergerden en gedrag escaleerde.

Voor veel jongeren loopt het opnieuw mis rond hun achttiende verjaardag. Zorg stopt of verandert abrupt, terwijl problemen vaak juist zijn verergerd. Dijkhoorn noemt het een fundamentele systeemfout om te doen alsof jeugd- en volwassenenzorg twee gescheiden werelden zijn. “Dit terwijl jongeren dus vaak slechter werden van die zorg en dus nog (maar dan betere) zorg nodig hadden – maar dan betere.”

Stroomop

In gesloten instellingen zag Dijkhoorn dat de kennis en vaardigheden die nodig zijn om jongeren en hun ouders te begrijpen vaak ontbraken. Er werd onvoldoende aangesloten bij het levensverhaal van jongeren: hun trauma’s, loyaliteiten, wantrouwen en eerdere ervaringen met hulpverlening.

Vanuit die observatie stond hij mede aan de wieg van Stroomop, een beweging van professionals uit jeugdzorg, GGZ en onderwijs. Het uitgangspunt was dat wanneer jongeren en gezinnen vroegtijdig serieus worden betrokken, verklarende analyses samen worden gemaakt en hulp beter aansluit, geslotenheid steeds minder nodig wordt.

Meest recent was Dijkhoorn betrokken bij het zoeken naar passende plekken voor jongeren toen de ZIKOS-afdelingen, de zwaarste vorm van geslotenheid, werden gesloten.

Veiligheid versus zeggenschap

Een vaak gehoord argument voor gesloten zorg is dat sommige jongeren zichzelf of anderen ernstig in gevaar brengen, en daarom gesloten moeten worden geplaatst. Dijkhoorn betwist niet dat dit gedrag voorkomt, maar wel dat geslotenheid dan logisch of helpend is.

“Het was en is nog een instituut waar de zorg kinderen kan onderbrengen als ze echt niet meer weet wat er moet gebeuren.”

Hij benadrukt dat veel jongeren in geslotenheid kwamen, maar daar niet beter werden. Volgens hem wordt gevaarlijk gedrag te vaak los gezien van de context waarin het ontstaat. Jongeren geven signalen af, maar die worden onvoldoende verstaan of serieus genomen.

‘Gevaarlijk gedrag wordt te vaak los gezien van de context waarin het ontstaat.’

Cruciaal is dat jongeren zelf nauwelijks invloed hadden op beslissingen over hun plaatsing. Er is volgens Dijkhoorn “veel te vaak, bijna altijd, niet goed geluisterd naar zowel jongere als ouder”. Dat gebeurde niet uit kwade wil, maar door een gebrek aan kennis en vaardigheden bij professionals.

Zolang jongeren geen echte zeggenschap hebben over hun behandeling, blijft het risico bestaan dat zorg hen verder ontregelt in plaats van helpt.

De schade van niet gehoord worden

Veel (ex-)jongeren geven aan dat gesloten jeugdzorg hen meer schade dan hulp heeft gebracht. Dijkhoorn herkent dat volledig. Hij benadrukt dat er jongeren zijn die baat hebben gehad bij gesloten zorg, maar dat te veel jongeren er schade van hebben ondervonden. 

Door dwang of separatie werden nabijheid en steun voorwaardelijk: pas als probleemgedrag stopte, kwam er weer contact.

Die schade zat niet alleen in fysieke opsluiting, maar vooral in het verlies van autonomie en vertrouwen. Emoties als verdriet, angst of woede werden vaak gezien als probleemgedrag dat beheerst moest worden. Wanneer jongeren die gevoelens uitten, volgden maatregelen zoals dwang of separatie, afzondering van anderen. Nabijheid en steun werden daarmee voorwaardelijk: pas als het gedrag stopte, kwam er weer contact.

Een ervaring van een jong meisje staat voor Dijkhoorn symbool voor dat mechanisme. Zij vertelde hem: “Ik huilde en huilde. Ik schreeuwde. Ik wilde gewoon een arm om me heen. Maar ik moest stoppen met huilen en schreeuwen. Toen dat niet lukte werd ik door vijf man vastgepakt en in de separeer opgesloten. Toen ik daar na een tijd uitgeput stopte met schreeuwen en huilen mocht ik eruit. Ze zeiden dat het goed was dat ik gestopt was. Weet je hoe verdrietig en boos ik toen was?”

Een plan dat meebeweegt

Herstel begint volgens Dijkhoorn bij gelijkwaardigheid; jongeren hebben professionals nodig die de tijd nemen en hun serieus nemen als expert over hun eigen leven.

Cruciaal is het samen maken van een verklarende analyse: een oordeelvrije verkenning van het levensverhaal, eerdere zorg en wat wel en niet heeft geholpen. Die analyse wordt niet over de jongere geschreven, maar met de jongere, samen met ouders en andere belangrijke betrokkenen.

Cruciaal is het samen maken van een verklarende analyse: een oordeelvrije verkenning van het levensverhaal, eerdere zorg en wat wel en niet heeft geholpen.

Van daaruit ontstaat een plan dat meebeweegt. Dat plan omvat behandeling, het betrekken van familie en bekenden, en ondersteuning op school, werk en huisvesting. Vooraf is duidelijk dat zowel de analyse als het plan aangepast mogen worden.

Volgens Dijkhoorn vraagt dit om zeer goed opgeleide professionals die langdurig betrokken blijven. Zonder tijd en continuïteit is echte samenwerking onmogelijk.

Een vraag over erkenning

De afbouw van gesloten jeugdzorg dwingt tot een ongemakkelijke conclusie. Niet de vraag of geslotenheid nodig is, staat centraal, maar waarom jongeren zo lang zorg hebben gekregen die niet samen met hen werd vormgegeven.

Volgens Peter Dijkhoorn ligt daar de sleutel tot verandering. Pas wanneer jongeren daadwerkelijk en op tijd betrokken worden bij analyse, besluitvorming en behandeling, kan zorg voorkomen dat problemen escaleren.

Voor jongeren is dat geen beleidsdiscussie, maar een vraag over erkenning: wordt er eindelijk mét mij gewerkt, in plaats van over mij besloten?

Eindredactie door Oscar Vaessen

Steun Red Pers

Je las dit artikel gratis, maar dat betekent niet dat het Red Pers niets heeft gekost. Wij bieden jonge, aspirerende journalisten een podium én begeleiding. Dat kunnen we nog beter met jouw steun. Die steun komt met twee voor de prijs van één, want onze sponsor matcht jouw donatie. Geef jij ons vijf euro? Dan ontvangen wij een tientje.

Over de auteur:

Meike Halbesma (2004, zij/haar) is student Bestuurskunde aan de Thorbecke Academie Leeuwarden, en heeft een passie voor jongerenparticipatie en een fascinatie voor het versterken van jongerenstemmen in de samenleving. Als redacteur Jongeren probeert ze hen de plek aan tafel te geven die ze verdienen, zodat hun stem luider klinkt en niemand er meer omheen kan.

Lees meer van Meike Halbesma