Sinds de val van het Assad-regime in december 2024 is Syrië politiek gezien minder afgesloten geraakt. Sancties worden voorzichtig versoepeld en economische contacten mondjesmaat verkend. In Den Haag vertaalt die geopolitieke verschuiving zich vrijwel direct in een beleidsvraag: kan Syrië weer als “veilig” worden bestempeld — en daarmee: kunnen Syriërs terug?
Cijfers van het Ministerie van Asiel en Migratie laten zien dat het inwilligingspercentage voor Syrische asielaanvragen in 2025 rond de 25 procent ligt; driekwart wordt afgewezen. Achter die cijfers schuilt een fundamentele vraag: in hoeverre is de Syrische staat daadwerkelijk weer in staat zijn burgers te beschermen?
Volgens VluchtelingenWerk Nederland is het antwoord voorlopig duidelijk: Syrië is nog niet veilig. De organisatie waarschuwde vorige maand dat minderheden uit Syrië binnen het Nederlandse asielbeleid beter beschermd moeten worden en dat gedwongen terugkeer onverantwoord blijft. Gesprekken met vijf Syriërs — om veiligheidsredenen anoniem — bevestigen dat beeld.
Machtsvacuüm na Assad
Wie naar die verhalen luistert, merkt al snel dat de vraag of Syrië ‘veilig genoeg’ is de werkelijkheid versimpelt. Formeel kwam het gezag in handen van een overgangsregering die voortkwam uit Hayat Tahrir al-Sham (HTS), een islamistische rebellencoalitie die ontstond uit een voormalige Al-Qaida-tak in Syrië, onder leiding van Ahmed al-Sharaa. Op papier markeerde dat een breuk met het verleden. In de praktijk ontstond echter vooral een machtsvacuüm, waarin milities taken overnamen die normaal bij de staat horen.
‘Het is een lappendeken van milities, voormalige oppositiegroepen, lokale machtsstructuren en nieuwe formaties die hun plaats nog moeten vinden’
Voor veel Syriërs voelde de machtswisseling daardoor niet als het begin van een nieuwe staat, maar eerder als het definitieve einde van de oude. Wat ervoor in de plaats kwam, is diffuser, minder zichtbaar en daardoor moeilijker te doorgronden. Zoals een Syrische vrouw uit Damascus het beschrijft: “Het veiligheidsapparaat is geen apparaat in de klassieke zin. Het is een lappendeken van milities, voormalige oppositiegroepen, lokale machtsstructuren en nieuwe formaties die hun plaats nog moeten vinden.”
Wie vandaag over ‘de staat’ spreekt, bedoelt zelden een herkenbaar centrum van macht. Eerder gaat het om een gefragmenteerd landschap van lokale machtsnetwerken, waarin gewapende groepen vaak meer invloed hebben dan formele instituties.

Wapens en wantrouwen
Die versnippering verklaart ook waarom ontwapening zo moeilijk blijkt. Het fundamentele probleem ligt namelijk dieper dan het bestaan van milities alleen. De vraag is niet alleen wie de wapens heeft, maar vooral waarom niemand ze wil neerleggen. Jaren van oorlog hebben gemeenschappen systematisch tegenover elkaar geplaatst en sociale verhoudingen diep beschadigd.
Pogingen om milities te integreren en staatsstructuren te formaliseren zijn er wel, maar veranderen weinig aan het kernprobleem. Gezag laat zich niet per decreet organiseren. Gezag groeit langzaam uit vertrouwen — en juist dat vertrouwen is in Syrië schaars. Loyaliteit richt zich daarom zelden op instituties, maar op personen: wie bescherming biedt, kan op trouw rekenen. Zo ontstaat een politiek landschap waarin veiligheid minder het resultaat is van regels dan van relaties en de positie die iemand weet te verwerven. Precies dat maakt haar zo onvoorspelbaar.
Een Syrische journalist beschrijft het nuchter: “Er zijn meerdere machten. Soms werken ze samen, soms tegen elkaar in. En niemand kan je garanderen wie je beschermt als het misgaat.”
Als de staat zijn basisbelofte niet kan waarmaken
De vertrouwenscrisis wordt verder verdiept door een tweede probleem: de staat kan nauwelijks leveren wat van een staat verwacht wordt. De Syrische samenleving is sociaal en materieel uitgehold. Steden liggen in puin, infrastructuur is ontwricht en publieke diensten zijn uitgekleed. Elektriciteit is onzeker, schoon water geen vanzelfsprekendheid. Ziekenhuizen draaien op noodhulp, terwijl een groot deel van de bevolking onder de armoedegrens leeft. Een hele generatie kinderen groeide op zonder structureel onderwijs.
“Het probleem in Syrië is niet dat de staat te veel controle uitoefent,” zegt een hulpverlener, ‘maar dat hij zijn kernbelofte niet kan inlossen: burgers beschermen en een minimaal gevoel van stabiliteit bieden.”
‘Het probleem in Syrië is niet dat de staat te veel controle uitoefent maar dat hij zijn kernbelofte niet kan inlossen: burgers beschermen en een minimaal gevoel van stabiliteit bieden’
Dat tekort wordt des te zichtbaarder nu Syrië nauwelijks nog als staat in klassieke zin te beschouwen is: een entiteit met gezag over grondgebied en grenzen. Interne versnippering wordt verdiept door regionale inmenging: Turkse invloed in het noorden, Iraanse netwerken via milities, Israëlische luchtaanvallen in het zuiden en zuidwesten. In zo’n context klinkt spreken over een almachtige veiligheidsstaat bijna ironisch.
Wederopbouw zonder vangnet
Juist omdat de staat zo zwak is, krijgt ook het debat over wederopbouw een andere betekenis. Syrië heeft geld nodig – veel geld. Negentig procent van de bevolking leeft in armoede, meer dan zestien miljoen mensen zijn afhankelijk van humanitaire hulp, en een derde van de woningen en zorginstellingen is zwaar beschadigd of verwoest. De roep om investeringen klinkt luid, in Damascus en in Europese hoofdsteden.
‘Wederopbouw zonder voorwaarden is als water gieten op een bodem vol scheuren. Niet omdat er te weinig geld is, maar omdat er geen instituties zijn die het vasthouden’
Tegelijk groeit het besef dat wie te snel pleistert over diepe scheuren, het huis opnieuw op dezelfde kapotte fundering zet. Zonder daadwerkelijke hervormingen krijgt het oude systeem – cliëntelisme, straffeloosheid, machtsconcentratie – simpelweg een nieuwe verflaag. Anders gezegd: geld zonder spelregels bouwt geen samenleving; het bouwt nieuwe elites.
De journalist vat het samen: “wederopbouw zonder voorwaarden is als water gieten op een bodem vol scheuren. Niet omdat er te weinig geld is, maar omdat er geen instituties zijn die het vasthouden”. Daar ligt, volgens hem, een duidelijke verantwoordelijkheid voor Europa – ook voor Nederland: investeren met voorwaarden. Dat klinkt al snel paternalistisch, maar, zo merkt hij op: “Toen Griekenland in crisis raakte, kwamen de miljarden ook niet zonder voorwaarden.”
Twee vragen voor Europa
Zo schuift het debat in Brussel op naar twee vragen die zich tegelijk aandienen. De eerste is praktisch en onontkoombaar: waar ligt de prioriteit? De humanitaire situatie in Syrië is catastrofaal. Miljoenen mensen leven van dag tot dag, afhankelijk van noodhulp. In dat licht klinkt praten over institutionele hervormingen bijna academisch. Wie humanitaire hulp serieus neemt, moet sneller, flexibeler en minder bureaucratisch handelen.
De tweede vraag raakt aan Europa’s zelfbeeld. De Europese Unie presenteert zich graag als normatieve macht: verdediger van rechtsstaat, mensenrechten en democratische waarden. Tegelijk is zij een geopolitieke speler met belangen, angst voor instabiliteit aan de buitengrenzen en een hardnekkige fixatie op migratiebeheersing. Gaat het Europa om het langdurig ondersteunen van politieke en maatschappelijke structuren die ooit rechtsstatelijkheid mogelijk maken? Of volstaat minimale stabiliteit, zolang Syrië maar geen bron van instabiliteit richting Europa wordt?

Tussen idealen en belangen
Die spanning wordt concreet zichtbaar: in Brussel klinkt het woord ‘normalisering’, terwijl in nationale hoofdsteden wordt gesneden in budgetten voor humanitaire hulp. Diplomaten spreken over wederopbouw; asielautoriteiten rekenen alvast door wanneer ‘terugkeer’ juridisch verdedigbaar wordt. Tegelijk verschuift de aandacht naar veiligheid: Europese missies richten zich op de heropleving van IS, terwijl president al-Shaara opvallend snel politiek krediet verwerft.
Zo balanceert Europa tussen twee houdingen. Met het ene been staat het in de modder van de machtspolitiek, met het andere op het morele voetstuk dat het zichzelf graag toedicht.
Terug naar Den Haag
Precies op dat punt raakt het Europese debat aan de Nederlandse politiek. Ook in Den Haag raken wederopbouw, stabiliteit en migratiebeheersing steeds sterker met elkaar verknoopt. Syrië ondersteunen in zijn herstel, maar tegelijk risico’s voor Europa beperken: dat lijkt de dubbele inzet. In die spanning krijgt het woord ‘veilig’ een uitgesproken politieke lading. Dat is niet verrassend. In een politiek klimaat waarin migratie al jaren fungeert als bliksemafleider voor bredere maatschappelijke onzekerheden, wordt de vraag of Syrië ‘veilig genoeg’ is al snel een voorspelbare Pavlovreactie.
Wie naar Syriërs zelf luistert, hoort een ander verhaal. Syrië is bevrijd van Assad, maar daarmee nog niet stabiel: het land is niet institutioneel hersteld, en zeker niet sociaal verzoend. Veiligheid is er geen uniforme toestand, maar een fragiel en ongelijk verdeeld gegeven. Wie dat negeert, beschrijft Syrië niet zoals het is, maar zoals het politiek beter uitkomt. Dan wordt terugkeer geen oplossing, maar een verplaatsing van verantwoordelijkheid — en verandert ‘veiligheid’ van bescherming in projectie.
Eindredactie door Tijn Manche