Met mijn jas half aan en een platgedrukte boterham kaas ren ik de deur uit. Het is nog pikkedonker in Amsterdam. Ik sjees voorbij zingende marktlieden op de Albert Cuyp richting metrostation de Pijp. Ik versta hen nauwelijks door mijn oortjes heen. ‘Straffe bak vieze cafeïne, djoenen tot 6 maar onbetaald door tot na 10 … ewa ja je moet links of rechtsom meedraaien in de machine,’ rappen Abel en Sef tegen me. Hun nummer luister ik al jaren, op de automatische piloot.
Nog één minuut voordat lijn Zuid vertrekt. Gedachteloos storm ik de roltrap af. Versnellen op de versnelling, want er kan altijd een tandje bij. Recht vooruit vlieg ik over het perron. Weinig oog voor de mensen om mij heen. Dan zegt Sef: ‘Ik ben de machine’.
Hoe we zelf onderdeel van de machine worden
Sef wijst hier op een verschuiving: we bedienen ‘het systeem’ niet alleen, we zijn het gaan belichamen. We meten en optimaliseren onszelf continu: heb ik mijn tienduizend stappen gehaald? Genoeg proteïne binnen? Wat zegt mijn horloge over mijn slaapkwaliteit? Allemaal data die aantonen of we functioneren. Productiviteit fungeert daarbij steeds nadrukkelijker als maatstaf voor eigenwaarde. Oftewel, wie het groeiende aantal dagelijkse doelen niet haalt, twijfelt direct aan zichzelf.
Het resultaat is een permanente staat van onrust die vooral millennials en Gen Z maar al te goed herkennen. Mensen zijn de afgelopen dertig jaar zelfs sneller gaan lopen en kijken elkaar minder vaak aan, blijkt uit Amerikaans onderzoek. Hierdoor worden openbare ruimtes steeds vaker plekken voor doorreis in plaats van ontmoeting. De machine draait, en wij draaien mee. Ik nu letterlijk, vastgeklemd in een overvolle metro, meegesleurd in het spitsuur.
Van ‘no spang’ naar ‘druk, druk, druk’
Na een dag processen optimaliseren op werk benut ik mijn terugreis in het ov net zo efficiënt: ongelezen Whatsappjes wegwerken, mails beantwoorden, en nog snel iets van mijn to‑dolijst afvinken die desondanks alleen maar lijkt te groeien. Toch knaagt er iets. Dus bij de volgende overstap vertraag ik bewust mijn pas en raak ik in gesprek met metrobestuurder Radjan (50). Hij kijkt op zijn horloge en geeft aan nog maar drie minuten te hebben voordat zijn lijn vertrekt.
Radjan is in Suriname geboren en woont al jaren in Nederland. “Hier leven we om te werken,” zegt hij. Nederland is volgens Radjan vooral ‘druk, druk, druk’. Inmiddels een standaardantwoord op de vraag hoe het gaat. ‘‘Mensen zijn hier altijd gehaast, bezig, onderweg. Net zombies. Ik kan het zeggen want ik doe dit werk al 20 jaar,” zegt hij. ‘’In Suriname kun je echt leven.’’ Hij knikt, loopt snel naar het perron en verdwijnt in de cabine.
Zijn woorden blijven hangen terwijl ik weer de metro instap. Een maand eerder verbleef ik in Suriname, waar ikzelf ook een ander tempo ervoer. Het is verleidelijk Suriname te romantiseren als een oase van rust. Natuurlijk kent het land zijn eigen uitdagingen, maar de totale onderwerping aan productiviteit lijkt er minder vanzelfsprekend.
No spang (geen stress) fungeert er wel degelijk als een sociale norm. Op warme ochtenden in Paramaribo is de palmentuin even kalm als haar bezoekers. Mensen groeten elkaar zonder haast, alsof tijd zich niet in minuten maar in bewegingen laat meten. Daar heeft een Duitse socioloog Hartmut Rosa een begrip voor bedacht: sociale resonantie. Het is een ritmische omgang met de wereld die haaks staat op de Nederlandse logica van versnelling en voortdurende optimalisatie.
Kunnen we nog uitstappen?
‘We moeten fabriceren, consumeren, concurreren, winkelmandje vol met mooie kleren,’ schreeuwen Abel en Sef deze keer in mijn oren. Op hun nieuwe album ‘IJsland 2’ keert dezelfde thematiek terug. Ditmaal met een expliciete roep om verandering. Ik kijk de coupé rond. Overal mensen vastgeklampt aan een scherm, duimen die swipen, tikken en verversen. Kunnen we nog uitstappen of zijn we al te zeer onderdeel geworden van de mechaniek?
Volgens Sef en Abel is het antwoord simpel: ‘Gooi je tellie uit het raam, chap even wat spangs, raak even wat gras aan, kom even omlaag, kijk even omhoog, en let me know, zijn we meer dan sterrenstof?’
Eindredactie door Tijmen Koppelaar