Aan het begin van deze eeuw gingen campagnes voor de Europese verkiezingen nog vaak over de binnenlandse politiek van afzonderlijke lidstaten, vertelt de Finse politicoloog Mikko Mattila in zijn kantoor op de Universiteit van Helsinki. Een plank van zijn boekenkast is gevuld met boeken over politieke participatie. Volgens Mattila spraken traditionele Europese partijen zich vooral uit over nationale, economische kwesties, zoals belastingen en publieke diensten. Dat waren de onderwerpen waarop zij decennialang hun ‘merk’ hadden ontwikkeld. Echter, wat partijen vonden van de EU zelf en van de samenwerking binnen Europa was meestal niet duidelijk – zowel voor kiezers als partijen niet. “Verkiezingen voor het Europees Parlement zouden over Europa moeten gaan, maar dat was niet het geval.”
Daar is verandering in gekomen, blijkt uit het recente onderzoek van Mattila (Universiteit van Helsinki) en Tapio Raunio (Universiteit van Tampere). Met een pen wijst Mattila naar een trendlijn in hun grafiek. In 2004 konden kiezers voor hun EU-standpunt nog veel moeilijker een passende partij vinden dan voor hun economische links-rechtspositie. Bij de laatste Europese verkiezingen in 2024 was dat verschil verdwenen. Wanneer kiezers worden gevraagd om een stelling te beantwoorden op een schaal van 0 tot 10, liggen zij gemiddeld nog maar 0,5 punt van hun meest gelijkgezinde partij vandaan.
Politisering
De onderzoekers concluderen voorzichtig positief dat ‘de bevindingen geruststellend zullen zijn voor degenen die zich zorgen maken over de kloof tussen politieke partijen en hun kiezers’. Wat is dan de reden dat partijen en kiezers nu meer op één lijn liggen? Uit deze statistieken kan dat niet worden afgelezen.
Volgens politicoloog Patrick Bijsmans (Universiteit Maastricht) moeten we de onderzoeksresultaten niet zozeer interpreteren als een ‘kloof’ die is overbrugd, maar als een signaal dat de EU als gespreksonderwerp alledaagser is geworden. Hij ziet dat mensen zich op allerlei EU-gerelateerde thema’s uit het vakje ‘ik weet het niet’ bewegen en sterkere meningen ontwikkelen. Zoals politicologen als Mattila en Bijsmans zeggen: de EU is ‘gepolitiseerd’.
’De EU-politiek raakte vroeger helemaal niet aan het leven van een gemiddelde burger’
Van diplomatie naar democratie
De EU begon in 1951 als de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal. Deze economische organisatie werd na de Tweede Wereldoorlog opgericht met als doel een nieuwe oorlog tussen voornamelijk Duitsland en Frankrijk onaantrekkelijker te maken. In de jaren vijftig, zestig en zeventig vond de Europese politiek uitsluitend op diplomatiek niveau plaats. “Het raakte helemaal niet aan het leven van een gemiddeld persoon in een van de lidstaten,” zegt Mattila. Hoewel in 1979 de eerste Europese verkiezingen werden gehouden, bleef het EU-debat tot in de negentiger jaren gekenmerkt door een houding van ‘permissieve consensus’. Bijsmans: “Dat betekent dat de gemiddelde burger in Europa zoiets had van: ‘Doe maar met die Europese integratie, dat is prima’.”
Vanaf 2000 nam de zichtbaarheid van de EU echter snel toe. Haar meest voelbare aanwezigheid kwam voor veel mensen in de vorm van de euro als betaalmiddel. “Je begon de Europese Unie in je dagelijks leven te zien,” aldus Mattila. Een grote stimulans voor publiek debat was de eurocrisis die in 2009 uitbrak, toen Griekenland vreesde haar staatsschulden niet meer zelfstandig te kunnen afbetalen. Er ontstond debat over de financiële steunpakketten die Nederland overwoog te sturen. “Het ging over geld, en geld is vrij belangrijk voor mensen,” verklaart Mattila. De voelbare recessie en alle media-aandacht voor de crisis zorgden voor een meer geanimeerd EU-debat met explicietere meningen. Dat wil zeggen, de EU politiseerde.
Sindsdien richtte een reeks urgente maatschappelijke vraagstukken de schijnwerpers nog meer op de EU. Denk aan thema’s als immigratie en vluchtelingen, staatsschulden, fijnstof, stikstof, medicijnen en de coronapandemie. Zichtbaarheid zorgt voor zowel meer kritiek als grotere steun. “Het is denk ik pas wanneer iets zichtbaarder wordt dat je er een eigen mening over gaat vormen. Dan pas wordt het opgepakt in de media; dan pas lees of zie je er iets over, of dat nou op YouTube is of het NOS-journaal. Dan krijg je een veel beter beeld van waar het nou precies over gaat,” zegt Bijsmans.
’Pas wanneer iets zichtbaarder wordt vorm je er een eigen mening over’
Goed nieuws voor de democratie?
Kunnen we concluderen dat de EU als democratisch instituut vandaag representatiever is dan twintig jaar geleden? Mattila peinst een moment, en zegt dan: “Ja, dat denk ik wel. De EU heeft verschillende instituties, maar ik zou zeggen dat het Europees Parlement de standpunten van het hele EU-electoraat nu beter vertegenwoordigt dan vroeger.”
Bijsmans: “Ik denk dat het in grote lijnen heel positief is dat de EU zichtbaarder is geworden. We moeten wel opletten dat een kritischere benadering van Europese politiek niet meteen wordt geïnterpreteerd of geframed als kritiek in de zin van ‘weg met de EU’ of ‘we gaan uit de EU’. Dat [beleidsgerichte debat, red.] hebben we natuurlijk op nationaal niveau al, want als je het niet eens bent met bijvoorbeeld de landelijke stikstofpolitiek, zegt men niet: ‘laten we Nederland maar afschaffen’, of ‘we stappen uit Nederland’. In plaats daarvan gaat het over de politieke keuzes die worden gemaakt. Dat is in mijn ogen wat [Mattila en Raunio] ook vinden in hun onderzoek: er is in de EU meer aandacht gekomen voor politieke keuzes en beleid voor Europa, en dat leidt misschien tot meer overeenkomsten tussen burgers en partijen dan er voorheen waren. Misschien is het een normaal debat aan het worden.”
Eindredactie door Hasse Drewes